Abu Dhabi Art 2018 – Brieven

Video and sculptuur om het geluid van de woestijn vast te leggen op de tentoonstelling ‘Letters’ (Brieven) op Abu Dhabi Art 2018.

Abu Dhabi Art is die andere kunstbeurs in de regio waar Art Dubai in het buuremiraat de trend zette. Ik was er niet eerder en eigenlijk ook niet van plan te gaan – ik koop liever aan in Saoedi-Arabië zelf – maar kreeg bij de opening van het Jameel Arts Centre de suggestie en de uitnodiging om op 13 November naar de voorbezichtiging te komen. Vol was het niet in het ruime Manarat Al Saadiyat complex dat uit vier grote hallen bestaat en waar ik enige jaren geleden een tentoonstelling van Emiraatse kunstenaars bewonderde. Het Louvre is er vlakbij en overigens ook een dependence van de Engelse kostschool Cranleigh School, waar een menigte kinderen van Nederlandse expats naar school ging. Galeries en daarbij ook twee uit Jeddah komen hier vermoedelijk omdat er meer geld uit olie binnenkomt in Abu Dhabi dan in Dubai, maar erg vol is het er niet tijdens de voorbeschouwing.

Tentoonstelling ‘Brieven’ (Letters)

Drie zalen zijn er gevuld met de presentaties van galeries, maar in de achterste zaal is er een niet onmiddellijk commerciële tentoonstelling van werk van zowel Saoedische als Emiraatse kunstenaars, die zich thematisch aansluit bij het boek Letters to a Young Muslim (Brieven aan een jonge moslim), dat de Emiraatse intellectueel en diplomaat Omar Saif Ghobash schreef voor zijn oudste zoon om hem de positie van een moslim in de 21ste eeuw te duiden. In het Nederlands werd het nog niet vertaald, maar mij bereikte wel al eens het verzoek of ik niet wist waar je in Nederland een tentoonstelling rond het boek van deze liberale denker zou kunnen organiseren. De werken van de Saoedische kunstenaars ken ik meest wel, maar werd getroffen door de grotere omvang en volwassen afgewerkte toestand van nieuw werk van Abdullah Al-Othman, die met microfoons in de woestijn de vermeende stilte daar opnam en vervolgens als in ouder werk, dat poëzie en discussies vastlegde, de decibel golf in een sculptuur vereeuwigde. Dat het niet alleen over de woestijn gaat, maar ook om de stemmen van mensen die onder druk van de gevolgen van verkeerd spreken lijken te zwijgen, veronderstel ik maar in lijn van wat ik van de kunstenaar weet. Ik kocht op afstand in Riyadh zijn The Question(s) dat over het bestaan van Allah handelt. Stilte bestaat zelfs in de woestijn niet en laat zich daarom ook niet bloedig of anders afdwingen.

Hafez Galerie op Abu Dhabi Art 2018 met het kleurrijke Signs on Heaven’s Path 8 van Rashed Al-Shashai

Aankopen

Bij de twee Saoedische galeries vind ik werk van kunstenaars die ik al langer ken en van wie werk zich in de verzameling van Greenbox Museum bevindt. Dat zijn Nasser Al-Salem en Rashed Al-Shashai. Vooral het grote Signs in Heaven’s Path 8 (2018) van Al-Shashai verwacht ik zeer gelukkig mee te zijn. Het werk verwijst naar een achthoekige raam in de grote moskee in Mekka, waardoor de grootvader van Al-Shashai in 1979 ontsnapte aan fanatici die de moskee bezetten. Om werkelijk echter te ontsnappen van deze aarde moet men zich volgens de kunstenaar reinigen, waarvoor hij in het raam, alsof het een Rooms kerkraam is, geen afbeeldingen van heiligen, maar vele gekleurde plastic keukenvergietjes heeft gemonteerd, die even zo kleurrijk en suggestief zijn.

Een Saoedisch feestje in Dubai

Het nieuwe Jameel Arts Centre, een kunsthal en museum, tijdens de opening in Dubai op 10 november 2018.

‘Iedereen is er,’ zei een verzamelaar uit Jeddah me toen ik naar een kunstenaar informeerde. Hij bedoelde kunstenaars en galeriehouders uit Riad en Jeddah, van wie het werk een bereik tot buiten de grenzen van Saoedi-Arabië heeft. Helemaal waar was dat niet. Ik miste uit Riad de Gharem boers, die zelf een tentoonstelling hadden in het Sharjah Art Museum, en een galeriehouder en kunstenaar uit Jeddah, ooit werkende onder de naam Arabian Wings, die met onbetaalde rekeningen verdween naar The Bronx in New York. Van hem trof ik in de bibliotheek wel twee exemplaren van een publicatie met de ondertitel Saudi True Contemporary Art, die ik niet eerder was tegengekomen, terwijl ook de Nederlanders Hafid Bouazza en Abdelkader Benali uit de boekenkast kwamen rollen met stukken in een nummer van Banipal 35, een Engelstalig tijdschrift voor Moderne Arabische Literatuur.

In Maha Malluh’s Artists’s Room bij de opening van het Jameel Arts Centre op 10 november 2018.

Art Jameel

De opening in de eigen regio van het Jameel Centrum voor de Kunsten was een – ook in de toekomst – te gedenken gebeurtenis. Tot nu toe sponsorde het door de Saoedische Toyota importeur Jameel ingestelde vermogensfonds, de in Jeddah geregistreerde Community Jameel Foundation, als ‘Art Jameel‘ vooral tentoonstellingen in het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten. Aanvankelijk alleen die van ‘Islamitische kunst,’ een wat moeilijk te formuleren verzamelgebied dat het bij musea goed doet om prinsen en instellingen uit de Golfstaten de portemonnée te laten trekken. De Jameel familie echter, onder invloed van een jongere generatie, sprong vanaf 2009 ook financieel bij toen eigentijdse kunstenaars uit Saoedi-Arabië botsten met de controle behoefte van het dubbele Saoedische establishment van staat en religie. Dat deed zij vooral door hulp aan de reizende tentoonstellingen van Edge of Arabia, een Brits-Saoedisch initiatief om een culturele elite te helpen vormen vanuit juist die gebieden in Saoedi-Arabië waar veel van de plegers van de aanslagen op 11 september 2001 kwamen.

Een kunsthal aan het water

Het bijna witte en voor Emiraatse begrippen prettig bescheiden gebouw werd ontworpen door de architect Chris Lee van het bureau Serie Architects en bestaat uit een aantal langs een colonnade gelegen en gestapelde rechthoekige zaaldozen, die aan de andere zijde uitkijken over het water van Dubai Creek. Al Jaddah Waterfront is het officiële adres en naar Nederlandse begrippen zou het liggen als het filmmuseum Eye aan het Amsterdamse IJ. Op de website van de architect is een goede overzichtsfoto en meer informatie te vinden: Jameel Arts Centre Project.

In Maha Malluh’s Artists’s Room bij de opening van het Jameel Arts Centre op 10 november 2018.

Kunstenaarszalen

Voor de openingstentoonstelling heeft directeur Antonia Carver de zalen van de nieuwe kunsthal overgegeven aan specifieke kunstenaars van wie zich al werk in de Art Jameel Collectie bevindt. Niet uit die verzameling, maar wel aanwezig was Almuallaqat 4, een installatie van grote en gebruikte hangende aluminium pannen van de in Riad werkende kunstenares Maha Malluh, waarvan ik de eerste versie in 2014 in Jeddah tegenkwam op een kunstbeurs, die daar nu een aantal jaren wordt gehouden en helaas niet eenvoudig voor iedereen te bezoeken is. Gelukkig landde in 2014 wel in Jeddah de Oostenrijkse galeriehouder Ursula Krinzinger, die het werk meenam naar Basel, vanwaar het zijn weg vond naar de collectie van Museum Voorlinden. De titel van het werk refereert aan zeven gedichten die voor de vestiging van de Islam in goud geschreven op Koptisch linnen zouden hebben gehangen aan de Kaaba in Mekka. Of dit een legende is of op wetenschappelijk vast te stellen waarheid berust, is mij nog niet gebleken. Met deze verklaring was Moallaqat echter titel en thema van de tentoonstelling in Jeddah, geconcipieerd door Hamza Seraifi en Aya Alireza, telgen uit twee machtige handelsfamilies in de Hejaz regio, en het kunstwerk een uitgedaagde reactie daarop van Malluh. Het werk dat nu tijdelijk in Dubai hangt bestaat uit kleinere pannen – de grote waren op – dan die waaruit het werk in Museum Voorlinden bestaat. Een beknopte variant siert bovendien de laatste zaal van het Louvre Abu Dhabi. De van onderen gebrande pannen zijn ‘een visuele getuigenis van familie- en gastvrijheid tradities en de resten van geschiedenissen van individuele mensen en hun gemeenschappen.’ Zo verwoord althans de schrijver van een tegenwoordige muurtekst het.

Detail van Hajra Waheed’s ‘The ARD: Study for a Portrait 1-28’ bij de opening van het Jameel Arts Centre op 10 november 2018.

Aramco en Leiden ontleed

Meest plezier deed me in een andere zaal het voor Art Jameel in opdracht gemaakte werk van Hajra Waheed – hier haar website – die zich eraan waagde de staatsoliemaatschappij Aramco op de korrel te nemen. Die onderneming heeft ook een vestiging in Den Haag en zoekt soms met succes invloed op de Leidse Universiteit en de Rijksmusea om de Saoedi- Arabië welgevallige helft van mythes en wetenschap te verspreiden, wat lukt als ze onvoldoende weerstand ontmoeten en niet verleid worden tot het aanvaarden van hele waarheden. Waheed maakte aan de hand van een dozijn collages een portret van de afdeling Arabian Research Division (ARD) van Aramco, welke afdeling zij verantwoordelijk meent voor de constructie van naar het belang van de maatschappij gevormde geschiedenissen. Het verbindend middelpunt van de collages is de in Leiden uitgegeven Brill’s Encyclopedia of Islam – een exemplaar uit het bezit van de Amerikaanse directeur van de ARD – opengeslagen op het lemma “Djazirat Al-Arab” (Het Arabische schiereiland) de tekst waarvan door deze medewerker van Aramco, George Rentz, zelf geschreven werd. Waheed met haar collages doet suggesties voor alternatieve en complexere geschiedenissen en put daarbij uit de archieven van Aramco. Waarmee zij eigenlijk zelf ook een werktuig van Aramco geworden is. In de bibliotheek kwam ik overigens het hoofd van hun communicatie afdeling tegen en dat leek me geen kwaaie. Ik heb hem echter niet verteld van één van zijn journalisten, die tot tweemaal toe over Greenbox Museum iets wilde schrijven, dat niet mocht omdat alles ‘plaatjeperfect’ en gecontroleerd moet zijn als het over Saoedi-Arabië gaat. En niet van de kunstenaar die me vertelde dat ‘het eerste wat we moeten doen, is die Aramco compound opheffen,’ nadat hij me zwijgend in Jeddah langs de muren van het paleis van koning Abdullah en de Nationale Garde had gereden.

Met dank aan de Rijksacademie te Amsterdam

Niet geheel tot mijn verbazing trof ik meer kunstwerken die zich aan de olie-industrie spiegelen. De Koeweitse kunstenares Mounira Al Qadiri zag een werk aangekocht door Art Jameel dat zij in 2016 maakte met steun van de Rijksacademie van Beeldende Kunsten in Amsterdam, zo staat er keurig op het bordje ernaast. Het is een boorkop waarvan ze de schoonheid naar voren heeft gehaald alsof het een juweel is. De boorkop werd gereproduceerd met behulp van een 3D printer, geschilderd met lak uit de autoindustrie en ten slotte – kijk mam: met losse handen – gehangen met behulp van een levitatie module. Het doet wel een beetje denken aan Magnetism van Ahmed Mater, waarin hij ijzervijlsel rechtop zet met behulp van twee magneetjes.

OR-BIT 1 by Mounirah Al Qadiri bij de opening van het Jameel Arts Centre op 10 november 2018.

Buitenwerk

Voor de ingang heeft het centrum iets van een arena waar een heldere toespraak werd gehouden door de minister van cultuur van de Verenigde Arabische Emiraten en enige voorstellingen van muziek en licht plaatsvonden. Dat ze voor het licht de Nederlandse studio van Daan Roosegaarde nodig hadden, met het kunstwerk Waterlicht viel me wat tegen, maar niet zo erg als de opening van KAUST, een universiteit aan de kust ten noorden van Jeddah, waar de show werd afgemaakt door een Canadese zandkunstenaar; je zou denken dat ze juist zo iemand wel in de eigen buurt kunnen vinden. Zie hier nog een filmpje daarvan op Youtube: King Abdullah of Saudi Arabia and KAUST: Sand Art by Joe Castillo.

De arena voor het Jameel Arts Centre bij de opening op 10 november 2018. Arabieren die in lokale dracht waren, mochten bij het buffet geen alcohol aannemen, vandaar mogelijk dat het publiek vooral kosmopolitisch gekleed gaat.

Jemen, Khashoggi en de Misk Art Institute

Komen Jemen en Khashoggi dan ook nog aan de orde? Nou ja, het is feest en de mensen hebben kunstgeschiedenis gestudeerd, maar ik vraag er wel naar bij die mensen die een beetje durven praten. ‘Het is echt zonde,’ is hoe iemand, die de familie van koning Salman goed kent, de moord op Khashoggi omschrijft. Waarbij het Engelse ‘shame’ hier misschien beter als ‘schande’ vertaald kan worden. ‘En het gaat niet weg, denk ik,’ zeg ik hem en hij kijkt daar zowel verbaasd als werkelijk bezorgd bij. Hij heeft de laatste jaren de trein hard helpen duwen richting een verlicht Saoedi-Arabië en voelt zich nu tegen een muur gereden. Mij stoort het, vertel ik hem, dat het nieuwe Misk Art Instituut, onder een vlag van ‘culturele diplomatie,’ kapitalen heeft besteed om in het kielzog van de kroonprins tentoonstellingen te organiseren in Washington, Parijs en Londen, maar als het instituut een kunstbeurs in Riad zelf organiseert, de grenzen voor bezoekers van buiten niet opengaan. ‘De regering wil niets liever dan de grenzen verder openen, maar politieke realiteiten maken dat nog steeds niet mogelijk,’ vindt mijn gesprekspartner. Welke dat zijn, aan die vraag kom ik niet toe als de schaal hapjes langskomt en van een andere kant vrouwelijk gezelschap. Een andere kennis las een twitter van mij op zoek naar de waarheid over Khashoggi en durfde die niet te liken. Althans, deed dat kort en haalde het weer weg.  ‘Als je ze tegen krijgt, is het minste wat ze doen je helemaal kapot maken,’ meent hij over zijn eigen overheid. ‘En dat is het minste,’ voegt hij er nog aan toe met de opmerking dat alles tegenwoordig geautomatiseerd is en eenvoudig voor de overheid om te controleren en saboteren. ‘Het nationalisme is het nieuwe wahabisme in dit land,’ sluit hij ons serieuze deel van de conversatie af. Over Jemen hoorde ik alleen steeds dat iedereen achter de overheid staat en ook door die overheid bestookt wordt met propaganda. Iemand anders noemt een vriend die F15 piloot is en intussen wel erg vermoeid en bovendien kwaad op de grondtroepen van de regering van Jemen, die hun werk niet zouden doen. Het zal de Pakistaanse chauffeur die me terug naar mijn hotel rijdt een zorg zijn, denk ik, en evenzo de behulpzame barkeeper uit Kameroen, die in de stad Lagos in Nigeria een polytechnische opleiding volgt, maar tussendoor een jaar in Dubai met economische verblijfsvergunning wat extra geld verdient.

Gezicht op Dubai vanuit de auto op weg naar Al Jaddaf Waterfront voor de opening van het Jameel Arts Centre op 10 november 2018.

 

 

Geef me het licht (Give Me The Light)

Jumana Gouth, Ayman Yossri Daydban, Athr
Jumana Gouth designed catalogue of a solo exhibition by Ayman Yossri Daydban (2016).

Toegevoegd aan de bibliotheek vandaag een bescheiden en door Jumana Gouth mooi ontworpen Engelstalige catalogus van een solo tentoonstelling van de kunstenaar Ayman Yossri Daydban. Die vond plaats bij ATHR in Jeddah in 2016. Daydban volgens het boekje ‘werd in 1966 geboren in Palestina’ en woont verder al zijn hele leven in Saoedi-Arabië. Daar was ik eens bij hem thuis in een wat armoedige flat aan de rand van Jeddah, waar hij na een scheiding op een kleine kamer bij zijn ouders woont en werkt, met boven zijn bed een afbeelding van het door Frankrijk gedoneerde, maar nooit afbetaalde, New Yorkse vrijheidsbeeld. De catalogus bestaat hoofdzakelijk uit een interview dat Baha Abudaya, een freelance curator, meestal verbonden aan wisselende commerciële instellingen de kunstenaar vlak voor de tentoonstelling heeft afgenomen. Abudaya bespreekt met hem verschillende delen van zijn werk, dat meestal reflecteert op zijn eigen leven in limbo als man alleen en als burger zonder een echt eigen land. Over de dood van de één en het leven van de ander en de dubbelzinnige relatie die de dingen met elkaar hebben, maakt Daydban met behulp van wisselende materialen kunstwerken. Aan bod komen in de catalogus en het interview verschillende delen van zijn oeuvre, van twee waarvan, Verboden en Ondertitels, zich in totaal vier werken in de collectie van Greenbox Museum bevinden.

Naast het interview bevat de catalogus tekst van Maryam Bilal, Maya El Khalil, Fiona Fox, Annabelle de Gersigny en 33 illustraties van het werk van Daydban. De rechten berusten bij de kunstenaar en ATHR.